FISCkwartaal(tje)  Nummer 1 - februari 2022

Uitstel van betaling verder verlengd

Het bijzonder uitstel van betaling is opnieuw verlengd; dit keer tot en met 31 maart 2022. Heeft u al bijzonder uitstel van betaling gekregen, dan wordt dit automatisch verlengd voor belastingen waarvan de uiterste betaaldatum verstrijkt voor 1 april 2022. U hoeft daarvoor geen actie te ondernemen.


Heeft u nog geen uitstel van betaling aangevraagd of alle schulden al afgelost, maar bent u door de coronamaatregelen toch weer in betalingsproblemen gekomen? In dat geval kunt u (opnieuw) bijzonder uitstel van betaling aan- vragen. Omdat het bijzonder uitstel belastingen betreft, waarvan de uiterste betaaldatum voor 1 april 2022 verstrijkt, geldt dit dus ook voor bijvoorbeeld de maandaangiften van januari en februari 2022 voor de btw en de loonheffing.

FISCkwartaal(tje)  Nummer 1 - februari 2022

Let op

Het feit dat u uitstel van betaling hebt gekregen, betekent niet dat u ook uitstel hebt voor het indienen van de btw-aangifte(n) en loonaangifte(n). Die moet u dus wel tijdig blijven indienen. U hoeft alleen de verschuldigde belasting nog niet te betalen. De nieuwe belastingschuld wordt opgeteld bij de belasting- schuld die u vanaf 1 oktober 2022 moet gaan aflossen op grond van de betalingsregeling. Die regeling houdt in dat u vanaf 1 oktober a.s. in zestig maanden (dus uiterlijk tot 1 oktober 2027) uw belastingschulden moet afbetalen aan de Belastingdienst.

Tips voor de ondernemer

  • Uitstel van betaling verder verlengd
  • Vraag tijdig vaststelling TVL Q2 aan
  • Deadline nadert voor aanvraag vaststelling OVK Q1 en Q2 2021
  • Huurkorting door coronamaatregelen
  • Minder aftrek gemengde kosten
  • Laat periodiek uw fiscale oudedagsreserve beoordelen

Tips voor de DGA

  • Aftrek gemengde kosten gewijzigd
  • Goed nieuws voor ondernemende verenigingen en stichtingen

 Tips voor werkgevers en werknemers 

  • Thuiswerkvergoeding en vervoer vanwege de werkgever
  • Slechts verplichte arbovoorzieningen vrijgesteld
  • Eindheffing werkkostenregeling of niet?
  • Loket NOW 6.0 achtste aanvraagperiode open
  • Valkuil bij no-riskpolis Ziektewet
  • Vraag tijdig vaststelling NOW 2.0 aan
  • Verklaring geen privégebruik te laat – wat nu?

Tips voor elke belastingbetaler

 Box-3-heffing over werkelijk rendement

  • Laat uw WOZ-beschikking controleren
  • Voorkom belastingrente en doe tijdig (voorlopige) aangifte erfbelasting
  • Het zwarte schaap en het wettelijk erfdeel
  • Meer subsidie voor isolatiemaatregelen en warmtepomp

Tips voor de ondernemer

Uitstel van betaling verder verlengd

Het bijzonder uitstel van betaling is opnieuw verlengd; dit keer tot en met 31 maart 2022. Heeft u al bijzonder uitstel van betaling gekregen, dan wordt dit automatisch verlengd voor belastingen waarvan de uiterste betaaldatum verstrijkt voor 1 april 2022. U hoeft daarvoor geen actie te ondernemen. Heeft u nog geen uitstel van betaling aangevraagd of alle schulden al afgelost, maar bent u door de coronamaatregelen toch weer in betalingsproblemen gekomen? In dat geval kunt u (opnieuw) bijzonder uitstel van betaling aanvragen. Omdat het bijzonder uitstel belastingen betreft, waarvan de uiterste betaaldatum voor 1 april 2022 verstrijkt, geldt dit dus ook voor bijvoorbeeld de maandaangiften van januari en februari 2022 voor de btw en de loonheffing.

Let op

Het feit dat u uitstel van betaling hebt gekregen, betekent niet dat u ook uitstel hebt voor het indienen van de btw-aangifte(n) en loonaangifte(n). Die moet u dus wel tijdig blijven indienen. U hoeft alleen de verschuldigde belasting nog niet te betalen. De nieuwe belastingschuld wordt opgeteld bij de belastingschuld die u vanaf 1 oktober 2022 moet gaan aflossen op grond van de betalingsregeling. Die regeling houdt in dat u vanaf 1 oktober a.s. in zestig maanden (dus uiterlijk tot 1 oktober 2027) uw belastingschulden moet afbetalen aan de Belastingdienst.

Vraag tijdig vaststelling TVL Q2 aan

Hebt u TVL-subsidie ontvangen in het tweede kwartaal van 2021 (Q2)? Dan moet u de werkelijke omzet in die periode doorgeven aan de RVO, zodat de definitieve tegemoetkoming kan worden vastgesteld. Net als bij TVL Q1 gaat u hiervoor naar mijn.rvo.nl/tvl en vervolgens naar ‘Aanvraag Beheren’. De RVO heeft ook bij TVL Q2 het vaststellingsformulier grotendeels al ingevuld met behulp van gegevens van de Belastingdienst. Bent u het met de ingevulde gegevens eens, dan kunt u akkoord geven. Zo niet, dan past u de gegevens aan. Heeft u een TVL-aanvraag gedaan van € 125.000 of meer? In dat geval moet u direct een accountantsproduct bijvoegen bij uw vaststellingsverzoek. U moet het verzoek uiterlijk op 8 maart 2022 hebben ingediend bij de RVO.

Tip

Begin tijdig met het verzamelen van de juiste bewijsstukken en voeg deze bij het vaststellingsverzoek. Dit verkort de afhandelingsduur.

Deadline nadert voor aanvraag vaststelling OVK Q1 en Q2 2021

Als land- of tuinbouwer hebt u mogelijk in het eerste en tweede kwartaal van 2021 gebruikgemaakt van de Subsidieregeling Ongedekte Vaste lasten (OVK Q1 en Q2 2021). Dit is een aanvulling op de maximale TVL als die niet toereikend was om uw vaste kosten te betalen. Is dat geval, wees er dan alert op dat u uiterlijk 28 februari 2022 de aanvraag voor de definitieve vaststelling hebt ingediend bij de RVO.

Huurkorting door coronamaatregelen

Huurt u een bedrijfsruimte, dan vraagt u zich misschien af of u recht heeft op huurprijsvermindering, omdat u door de coronamaatregelen uw onderneming niet kunt uitoefenen. Sinds de uitbraak van het coronavirus is hierover veel rechtspraak geweest. Vaak betrof het zaken in de horeca. De heersende lijn in de rechtspraak is al dat wanneer een onderneming als gevolg van de coronapandemie moet sluiten, dit wordt aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid, op grond waarvan een beroep op huurprijsvermindering mogelijk is. Inmiddels heeft het hoogste rechtsorgaan in Nederland, de Hoge Raad, hierover ook een uitspraak gedaan. De Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van een onvoorziene omstandigheid wanneer een huurder zijn bedrijfsruimte moet sluiten als gevolg van overheidsmaatregelen. Dit is namelijk in beginsel niet verdisconteerd in de huurovereenkomst.

Huurkorting

De korting die wordt gehanteerd, wordt berekend met de zogenoemde ‘vastelastenmethode’ (TVL). Volgens deze methode wordt de TVL afgetrokken van de werkelijke vaste lasten. Het resterende nadeel zal in beginsel 50/50 worden verdeeld tussen verhuurder en huurder. 

Aanmerken als gebrek?

In de rechtspraak is ook nog een andere route bewandeld om een huurvermindering te bewerkstelligen: het ging om de vraag of de coronacrisis kon worden gezien als een gebrek. Lagere rechters oordeelden dat dit inderdaad het geval was, waardoor huurders recht hadden op een huurprijsvermindering. Maar de Hoge Raad heeft deze denkwijze verworpen. De coronacrisis is volgens de Hoge Raad namelijk niet aan te merken als een gebrek, omdat de overheidsmaatregelen geen betrekking hebben op het gehuurde zelf. Voor het verkrijgen van huurprijsvermindering kunt u dus enkel een beroep doen op de coronapandemie als onvoorziene omstandigheid.

Minder aftrek gemengde kosten

De regels voor de aftrek van gemengde kosten zijn gewijzigd. Gemengde kosten zijn pas aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als een drempelbedrag wordt overschreden. Dit drempelbedrag is sinds 1 januari 2022 verhoogd van € 4.700 naar € 4.800. Maar er is een alternatief. U mag er namelijk ook voor kiezen om 80% van de gemengde kosten in aftrek te brengen. Dit percentage is niet gewijzigd. 

Gemengde kosten

Bepaalde kosten hebben uitsluitend een zakelijk karakter of uitsluitend een privékarakter. Er zijn ook kosten die u wel voor uw onderneming maakt, maar waarin ook een privé-element zit. Dit zijn de gemengde kosten. Hieronder vallen:

  • de kosten voor voedsel, drank en genotmiddelen;
  • representatiekosten;
  • kosten van congressen, seminars, symposia, excursies en studiereizen.

Laat periodiek uw fiscale oudedagsreserve beoordelen 

De fiscale oudedagsreserve (FOR) is in het leven geroepen om u als zelfstandig ondernemer de mogelijkheid te bieden een pensioen op te bouwen dat ‘evenwaardig’ is aan dat van werknemers. Dit doel van de FOR moet uiteindelijk vorm krijgen in een af te sluiten lijfrente. Deze lijfrente kunt u bedingen bij een verzekeringsmaatschappij of een bancaire instelling. Het onderbrengen van de FOR in een verzekerde dan wel bancaire lijfrente houdt dus in dat u voor voldoende liquide middelen moet zorgen om de koopsom aan de verzekeraar of bankinstelling te kunnen betalen. Het is daarom belangrijk dat u gedurende de opbouwfase van de FOR voldoende middelen reserveert. Overleg met uw adviseur of het zinvol is om aan de FOR te doteren. En zo ja, laat uw adviseur daarna periodiek de dekking van de opgebouwde FOR beoordelen. Misschien is het beter om tussentijds (gedeeltelijk) af te storten.

 

Tips voor de DGA

Aftrek gemengde kosten gewijzigd

Ook in de vennootschapsbelasting is de aftrekbaarheid van gemengde kosten beperkt als de rechtspersoon één of meer werknemers in dienst heeft. De aftrekbeperking geldt dan voor dezelfde kosten als bij de inkomstenbelasting, tenzij de kosten voor de werknemer(s) loon vormen. In dat geval zijn de kosten integraal aftrekbaar. Zijn de kosten geen loon, dan zijn ze pas aftrekbaar als een drempelbedrag wordt overschreden. Dit drempelbedrag is sinds 1 januari 2022 verhoogd van € 4.700 naar € 4.800. Als 0,4% van het loon van de werknemers hoger is dan dit bedrag, dan geldt het hogere bedrag als niet-aftrekbaar drempelbedrag. Het alternatief is hier dat uw bv maar 73,5% van de gemengde kosten in aftrek kan brengen. Dit percentage is niet gewijzigd. Het percentage van 80% in de inkomstenbelasting geldt dus niet voor de vennootschapsbelasting. Dit is een bewuste keuze van de wetgever.

Goed nieuws voor ondernemende verenigingen en stichtingen

Bent u bestuurder van een stichting of vereniging die maximaal vijf jaar een onderneming drijft? Dan is het volgende voor u van belang. De stichting of vereniging is onder voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vrijstelling geldt als in een boekjaar niet meer dan € 15.000 winst wordt behaald. Is de winst hoger, dan kan deze toch vrijgesteld zijn, zolang de winst samen met de winst van de voorgaande - maximaal vier - jaren niet meer bedraagt dan € 75.000. Kortgeleden heeft de hoogste belastingrechter, de Hoge Raad, beslist dat deze tweede winstgrens ook onverkort mag worden toegepast als de vereniging of stichting minder dan vijf jaar een onderneming drijft.

Hoe berekent u de vrijstelling?

U toetst eerst of de winst van uw vereniging of stichting de eerste winstgrens van € 15.000 overschrijdt. Is dat niet het geval, dan is de winst vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Is dat wel het geval, dan toetst u vervolgens of de tot dan toe behaalde jaarwinsten de tweede winstgrens van € 75.000 overschrijden. Is dat niet het geval, dan is de winst toch vrijgesteld. Wordt de tweede winstgrens wel overschreden, dan is de winst in dat boekjaar belast. In de daaropvolgende boekjaren is de jaarwinst alleen vrijgesteld voor zover deze niet meer bedraagt dan € 15.000. Is de winst hoger, dan is uw stichting of vereniging over de winst vennootschapsbelasting verschuldigd.

U hoeft door het oordeel van de Hoge Raad de tweede winstgrens dus niet pro rata te berekenen. Daardoor zou deze winstgrens lager zijn en uw vereniging of stichting dus eerder in de heffing vallen.

Voorbeeld ter verduidelijking

Uw vereniging bestaat drie jaar en drijft vanaf het begin een onderneming. De winsten zijn € 8.000 in jaar 1, € 20.000 in jaar 2 en € 32.000 in jaar 3. De totaalwinst over de drie jaren is dus € 60.000. De winst in het eerste jaar is zonder meer vrijgesteld, want die blijft onder de eerste winstgrens van € 15.000. In het tweede en derde jaar is dat niet het geval. U moet dan de totaalwinst toetsen aan de tweede winstgrens. Bij onverkorte toepassing blijft de winst in het tweede en derde jaar onder het maximum van € 75.000. U kunt de vrijstelling dus ook in jaar twee en drie toepassen.

Zou u de tweede winstgrens pro rata moeten berekenen, dan bedraagt deze na jaar 2 jaar (2/5 van € 75.000 =) € 30.000. De winst van uw vereniging blijft ook in jaar 2 onbelast. Maar in het derde jaar wordt het een ander verhaal. De tweede winstgrens bedraagt dan 3/5 van € 75.000 = € 45.000. De totaalwinst over de drie jaren bedraagt echter € 60.000. De winst van uw vereniging is daardoor in het derde jaar wel (volledig) belast.


Let op

Het bovenstaande geldt ook als uw vereniging of stichting niet direct vanaf haar oprichting een onderneming drijft. De vijfjaarstermijn van de tweede winstgrens van deze vrijstelling begint dan namelijk pas te lopen vanaf het eerste jaar dat zij een onderneming drijft en dus niet vanaf haar oprichting. 


Tips voor werkgevers en werknemers

Thuiswerkvergoeding en vervoer vanwege de werkgever

Sinds 1 januari 2022 is een gerichte vrijstelling van € 2 per dag ingevoerd voor vergoedingen van thuiswerkkosten. Deze gerichte vrijstelling geldt niet als uw werknemer op dezelfde dag gebruikmaakt van vervoer vanwege de werkgever om naar een vaste werkplek te gaan. Onder vervoer vanwege de werkgever wordt een ter beschikking gestelde auto of fiets verstaan, maar bijvoorbeeld ook een OV-abonnement. Ook mag u voor diezelfde dag niet een reiskostenvergoeding betalen. Er is sprake van een vaste werkplek als een werknemer op kalenderjaarbasis meer dan 40 dagen naar die werkplek reist. Maar bepaalt u dat vooraf of achteraf?

Achteraf corrigeren

Het kan lastig zijn om vooraf te bepalen hoeveel dagen in een kalenderjaar de werknemer naar een werkplek zal reizen. U kunt dan aannemen dat de werknemer minder dan 40 keer een werkplek zal bezoeken. U betaalt hem of haar daarom een thuiswerkvergoeding. Achteraf kan dan blijken dat de werknemer toch vaker dan 40 keer een andere werkplek met bijvoorbeeld zijn eigen auto heeft bezocht. Als achteraf blijkt dat er geen sprake was van een vaste werkplek, of juist wel, dan moet u dit corrigeren. Bent u ten onrechte uitgegaan van minder dan 40 dagen en heeft u voor dezelfde dag een thuiswerkvergoeding en een reiskostenvergoeding betaald? Dan kunt u op een van beide vergoedingen de gerichte vrijstelling toepassen. De andere vergoeding kunt u opnemen in de vrije ruimte.

Slechts verplichte arbovoorzieningen vrijgesteld

Vanaf 2022 zijn alleen verplichte arbovoorzieningen gericht vrijgesteld. Dit zijn voorzieningen die direct samenhangen met de verplichtingen die u heeft om met de arbeid verbonden veiligheids- of gezondheidsrisico’s te voorkomen. Als voorbeelden worden genoemd: een ergonomisch verantwoorde bureaustoel, een voetenbankje voor beeldschermwerk, een beeldschermbril, laboratoriumjassen en veiligheidsschoenen. Voorzieningen die niet direct samenhangen met deze verplichtingen vallen niet meer onder de gerichte vrijstelling. Bijvoorbeeld: een algemene gezondheidscheck, een gezonde maaltijd, een fiets, sportieve activiteiten en dergelijke, maar ook een cursus ‘stoppen met roken’ en stoelmassage.

Tip

De cursus ‘stoppen met roken’ maakt onderdeel uit van het basispakket van de zorgverzekering (zonder eigen bijdrage).

Bedrijfsfitness en sportschoolabonnement

Op grond van de Arbowet moet u een arbeidsomstandighedenbeleid voeren. Onderdeel daarvan is een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Als uit deze RI&E volgt dat uw werknemers risico lopen op bepaalde gezondheidsklachten, bent u verplicht actie te ondernemen om deze risico’s te verminderen of weg te nemen. Dit kan bedrijfsfitness of een sportschoolabonnement zijn, dat gericht is op voorkoming van deze risico’s en klachten. Daarmee is er een verband tussen de gezondheid van uw werknemers en hun werkzaamheden. Onder deze omstandigheden zou fitness of een sportschoolabonnement toch gericht vrijgesteld moeten kunnen zijn. Ook in de Tweede Kamer is over werkgerelateerde fitness gezegd dat dit gericht vrijgesteld is. Het vergt wel maatwerk om dit goed in uw arbobeleid op te nemen. Het is verstandig om hierbij een deskundige te betrekken.

Eindheffing werkkostenregeling of niet?

In januari 2022 moet u beoordelen of u in 2021 de vrije ruimte hebt overschreden. Wordt de vrije ruimte niet overschreden, dan hoeft u geen eindheffing aan te geven en te betalen. Wordt de vrije ruimte overschreden, dan betaalt u 80% eindheffing over het verschil tussen de vrije ruimte en het totale eindheffingsloon. De eindheffing geeft u aan in de tweede loonaangifte van 2022. Hebt u al in 2021 eindheffing betaald? Dan hebt u achteraf mogelijk te veel of te weinig eindheffing betaald. U corrigeert dit ook in de loonaangifte over het tweede tijdvak van 2022.

Tip

Controleer tussentijds of u de vrije ruimte niet overschrijdt en voorkom dat u de eindheffing moet betalen.

Loket NOW 6.0 achtste aanvraagperiode open

Vanaf 14 februari 2022 opent het UWV het loket voor de aanvraag van NOW 6.0-subsidie. Dit is de achtste aanvraagperiode voor de NOW. Het UWV zal weer een formulier beschikbaar stellen, waarmee u de aanvraag kunt doen. Het loket is tot en met 13 april 2022 open. Aan de aanvraag zijn ook weer voorwaarden verbonden die grotendeels overeenkomen met die van de NOW 5.0-subsidie:

  • minimaal 20% omzetverlies in het eerste kwartaal;
  • een maximaal op te geven omzetverlies van 90%;
  • een vergoeding van 85% van het maximaal opgegeven omzetverlies;
  • een maximum vergoeding van 2 maal het maximale dagloon (€ 9.952 per maand);
  • het voorschotpercentage bedraagt 80%.
  • voor starters geldt dezelfde berekening van de referentie-omzetperiode als bij NOW 5.0.

Maar er zijn ook verschillen ten opzichte van de voorwaarden bij NOW 5.0. Zo mag u wel

– net als bij NOW 5.0 – uw loonsom ook in het eerste kwartaal van 2022 geleidelijk verminderen met 15% zonder dat de NOW-subsidie lager wordt, maar nu ten opzichte van tweemaal de loonsom in oktober 2021. Bij NOW 5.0 was de referentiemaand september 2021. De referentieomzet-periode berekent u nu door de omzet van 2019 te delen door 4 en uw werkgeverslasten in het eerste kwartaal van 2022 worden voor 30% (bij NOW 5.0 nog 40%) gecompenseerd.

Het UWV betaalt u het voorschot NOW 6.0-subsidie in drie termijnen uit.

Valkuil bij no-riskpolis Ziektewet

Stel, een werknemer krijgt na 104 weken van arbeidsongeschiktheid een WIA-uitkering en u besluit om het dienstverband met die werknemer voort te zetten? U kunt dan in beginsel een uitkering krachtens de no-riskpolis van de Ziektewet aanvragen bij het UWV als die werknemer wegens ziekte uitvalt. U kunt  daarmee compensatie krijgen als u het loon bij ziekte aan de werknemer doorbetaalt. Maar let op: van  ‘voortzetten’ van het dienstverband is geen sprake als u na 104 weken van arbeidsongeschiktheid van de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst met die werknemer sluit. In dat geval is er namelijk sprake van een ‘nieuw’ dienstverband, waarvoor de wettelijke bepalingen niet voorzien in de mogelijkheid van een uitkering krachtens de no-riskpolis Ziektewet.

Tip

Wilt u na 104 weken arbeidsongeschiktheid van een werknemer het dienstverband voortzetten of beëindigen, vraag dan vooraf advies aan een deskundige. Er zijn meerdere mogelijkheden om – afhankelijk van de individuele situatie – compensatie te verkrijgen voor financiële lasten van zieke werknemers.

Vraag tijdig vaststelling NOW 2.0 aan

Heeft u over de tweede aanvraagperiode (juni, juli, augustus en september 2020) een voorschot NOW 2.0-subsidie ontvangen? Dan moet u uiterlijk 31 maart 2022 bij het UWV een aanvraag indienen voor de definitieve vaststelling van de NOW-subsidie over deze periode. U kunt hiervoor gebruikmaken van een speciaal formulier. Wacht u nog op een derden- of accountantsverklaring van uw boekhouder of accountant? Ook in dat geval moet u toch de aanvraag tijdig indienen. U kunt op het aanvraagformulier aangeven dat u nog bezig bent met de benodigde verklaring. Na het indienen van de aanvraag hebt u nog 14 weken de tijd om de derden- of accountantsverklaring na te sturen. Het is van groot belang om op tijd in actie te komen. Als u de definitieve vaststelling niet op tijd aanvraagt, loopt u namelijk het risico dat u de ontvangen NOW-subsidie volledig moet terugbetalen.

Loket ook open voor NOW 3.0

Inmiddels is het loket ook open voor de aanvraag van de definitieve berekening van de derde aanvraagperiode (oktober t/m december 2020) van NOW 3.0 en sinds 31 januari 2022 ook voor de vierde (januari t/m maart 2021) en vijfde (april t/m juni 2021) aanvraagperiode NOW 3.0. Het loket is open tot en met 22 februari 2023.

Verklaring geen privégebruik te laat – wat nu?

De ‘Verklaring geen privégebruik’ verschuift de bewijslast dat er maximaal 500 kilometer privé met de ter beschikking gestelde auto is gereden van u naar uw werknemer. Op verzoek van de Belastingdienst moet uw werknemer alsnog aantonen dat hij of zij maximaal 500 kilometer per kalenderjaar privé heeft gereden. Wat zijn de gevolgen voor de bijtelling als uw werknemer pas op een later moment de ‘Verklaring geen privégebruik’ overlegt? Let op: u mag geen rekening houden met de verklaring als u weet dat de werknemer op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer privé rijdt.

De gevolgen

Tot aan het moment waarop u de ‘Verklaring geen privégebruik’ ontvangt, moet u per maand vaststellen of de werknemer, omgerekend naar een kalenderjaar, meer dan 500 kilometer privé rijdt. Na ontvangst van de verklaring mag u de bijtelling achterwege laten met ingang van het eerste loontijdvak waarover u het loon nog moet berekenen 

Tips voor elke belastingbetaler

Box-3-heffing over werkelijk rendement

Eind vorig jaar deed de hoogste belastingrechter, de Hoge Raad, een belangrijke uitspraak over de box-3-heffing. Kort samengevat oordeelde de Hoge Raad dat de heffingsmethodiek (de zogenaamde forfaitaire vermogensmix) in box 3 voor de jaren 2017 en 2018 discriminerend is. Volgens deze methodiek behaalt u een bepaald verondersteld rendement over uw vermogen dat afhangt van de grootte van dat vermogen. Hoe groter uw vermogen hoe minder u geacht wordt te sparen en hoe meer u geacht wordt te beleggen. Naarmate u meer geacht wordt te beleggen, des te hoger het rendement wordt dat u geacht wordt te behalen en hoe zwaarder dat rendement belast wordt met box-3-heffing. De box-3-heffing sluit dus niet aan bij het werkelijke rendement dat u op uw vermogen hebt behaald. Heeft u een groot vermogen, maar ervoor gekozen om te sparen en niet risicovol te beleggen, dan wordt uw vermogen voor een deel toch zwaarder belast alsof u hebt belegd. De Hoge Raad oordeelt dan ook dat u in dat geval verhoudingsgewijs te veel box-3-heffing moet betalen.

De forfaitaire vermogensmix werkt volgens de Hoge Raad ook discriminerend uit als u wel hebt belegd, maar pech hebt gehad met uw risicovolle beleggingen en daarover toch relatief veel box-3-heffing moet betalen. Daarom heeft de Hoge Raad voor de jaren 2017 en 2018 beslist dat alleen het werkelijke rendement in de box-3-heffing mag worden betrokken.

Hoe nu verder?

Er is nog veel onduidelijk. Zal de Belastingdienst alleen diegenen compenseren die (massaal) bezwaar hebben aangetekend tegen de box-3-heffing? Het kan zijn dat het Ministerie van Financiën ervoor kiest om ook de niet-bezwaarmakers te compenseren. Wordt de compensatie alleen beperkt tot spaartegoeden of gaat die ook gelden voor beleggingsvermogens? De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat waarschijnlijk pas in mei 2022 duidelijk wordt hoe de Belastingdienst uitvoering zal geven aan de hersteloperatie. De uitspraak van de Hoge Raad heeft immers niet alleen gevolgen voor de jaren 2017 en 2018, maar ook voor de jaren erna. Ook geeft hij aan dat momenteel wordt onderzocht of de wetgeving toch eerder kan worden aangepast dan in 2025, zoals was aangekondigd in het coalitieakkoord. Hierdoor zal een box-3-heffing op basis van het werkelijk rendement eerder in werking treden. Zodra er meer duidelijkheid is, zullen wij u natuurlijk direct nader informeren. Hebt u nog vragen? Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.

Laat uw WOZ-beschikking controleren

Binnenkort valt de WOZ-beschikking 2022 op uw (digitale) deurmat. De WOZ-waarde 2022 betreft de waarde van de woning of het gebouw op de waardepeildatum 1 januari 2021. Het verdient aanbeveling deze beschikking te (laten) controleren vanwege het grote belang. De WOZ-waarde is immers niet alleen relevant voor de gemeentelijke heffingen, maar ook voor andere belastingen, zoals de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting.

Bent u het niet eens met de vastgestelde waarde in de WOZ-beschikking, dan moet u binnen 6 weken na de dagtekening van de beschikking daartegen bezwaar aantekenen bij uw gemeente. U kunt geen bezwaar aantekenen bij de Belastingdienst! Is de hiervoor genoemde 6-wekentermijn verstreken en hebt u geen bezwaar gemaakt? Dan zit u dus aan de vastgestelde waarde vast voor de gemeentelijke heffingen, maar ook voor de andere belastingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de hoogte van het eigenwoningforfait in de inkomstenbelasting 

Voorkom belastingrente en doe tijdig (voorlopige) aangifte erfbelasting

Als u niet op tijd aangifte doet, wordt er belastingrente berekend. Deze rente gaat lopen vanaf 8 maanden na de overlijdensdatum tot 6 weken na de datum van de aanslag – maar niet langer dan 19 weken na ontvangst van de aangifte. Wat betekent dit concreet? Als u binnen de termijn van 8 maanden aangifte doet, kan er toch sprake zijn van belastingrente. De periode van 19 weken is ongeveer 5 maanden, dus als u binnen 3 maanden na het overlijden aangifte doet of een voorlopige aanslag erfbelasting aanvraagt, krijgt u niet te maken met deze rente. Maar wijkt de Belastingdienst af van de aangifte, dan geldt de 19-wekenregeling niet!

Tip
Doe op tijd aangifte erfbelasting, of vraag tijdig om een voorlopige aanslag erfbelasting. Zo voorkomt u dat de teller van de belastingrente wordt aangezet!

Het zwarte schaap en het wettelijk erfdeel

Soms is er een zwart schaap in de familie. Of is er een andere valide reden om een kind te onterven, dan wel te bepalen dat het kind niet meer krijgt dan het bedrag van het wettelijke erfdeel. Dit is het erfdeel waarop het kind ten minste recht heeft. Maar stel dat het zwarte schaap zijn of haar wettelijke erfdeel komt opeisen bij het overlijden van de langstlevende ouder, die bij leven al het nodige heeft geschonken aan het ‘witte’ schaap in de familie. Hoe wordt dan dit erfdeel bepaald? Aan de hand van het volgende voorbeeld leggen we dat uit. Een moeder had, als langstlevende, na het overlijden van haar man haar zoon als enig erfgenaam benoemd. Ook had zij haar vermogen in delen zoveel mogelijk aan hem overgedragen. Na haar overlijden meldt haar dochter (het zwarte schaap) zich bij haar broer en eist haar wettelijk erfdeel op. Er was nog wat vermogen over, maar dat was natuurlijk veel hoger geweest als moeder haar zoon niet zoveel giften en schenkingen had gedaan. Hoe moet de dochter nu haar wettelijk erfdeel bepalen? 

Wettelijk erfdeel

De dochter heeft recht op 50% van haar erfdeel dat zij zou hebben gekregen, als er geen testament was geweest. Nu er twee kinderen zijn en geen langstlevende echtgenoot, komt dat neer op een aandeel van 25% (de helft van 50%). Daarbij geldt dat de nalatenschap fictief wordt verhoogd met de volgende giften en schenkingen:

  • alle giften (waaronder ook schenkingen) van moeder aan haar zoon, die moeder korter dan vijf jaar voor haar overlijden heeft gedaan;
  • alle andere eerder door moeder gedane giften als deze kennelijk zijn gedaan en aanvaard met het ‘vooruitzicht dat daardoor legitimarissen (erfgenamen die een recht op een wettelijk erfdeel hebben) zijn benadeeld’;
  • alle herroepbare giften en schuldigerkenningen;
  • alle giften die zijn gedaan aan andere kinderen en kleinkinderen die zelf ook een wettelijk erfdeel kunnen opeisen. Ongeacht hoe lang geleden deze giften zijn gedaan.

In dit voorbeeld moeten dus álle giften van moeder aan haar zoon – wanneer ook gedaan, en hoe groot of hoe gering ook – worden bijgeteld. Uiteraard moet de dochter kunnen bewijzen dat (en tot welke omvang) deze giften zich hebben voorgedaan. Dat zal in de praktijk niet altijd makkelijk zijn. Het onterfde kind heeft het recht om de administratie van de erflater in te zien, om te beoordelen of zulke giften zijn gedaan.

Meer subsidie voor isolatiemaatregelen en warmtepomp

Bent u van plan om isolatiemaatregelen te treffen in uw eigen woning? Sinds 1 januari 2022 kunt u meer subsidie krijgen op grond van de ‘Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing’ (ISDE) als u twee of meer grote isolatiemaatregelen in uw woning treft. Denk aan het isoleren van een vloer, dak en/of gevel en het plaatsen van hoogrendementsglas. Ook de aanschaf van een warmtepomp of hybride warmtepomp kwalificeert voor deze subsidieregeling. Als u aan de voorwaarden voldoet, krijgt u niet 20%, maar 30% van de kosten vergoed. 

Tip

Op rvo.nl kan aan de hand van maatregelenlijsten worden gecontroleerd of de voorgenomen isolatiemaatregelen voor de ISDE in aanmerking komen. Daar vindt u ook een stappenplan om de aanvraag in te dienen. Het is verstandig om voorafgaand aan uw aanvraag eerst het stappenplan te doorlopen. Door dat eerst te doen, weet u precies wat u nodig hebt voor de aanvraag. De aanvraag moet uiterlijk zijn ingediend binnen 12 maanden nadat de eerste isolatiemaatregel is uitgevoerd. De hoogte van de subsidie wordt bepaald per m2 en hangt af van de getroffen maatregelen.


In deze uitgave is de stand van zaken in wet- en regelgeving verwerkt tot 3 februari 2022. Hoewel ten aanzien van de inhoud de uiterste zorg is nagestreefd, kan niet volledig worden ingestaan voor eventuele (druk)fouten en onvolledigheden. De redactie, de uitgever en de verspreider sluiten bij deze de aansprakelijkheid hiervoor uit. Voor een toelichting kunt u altijd contact met ons opnemen